Inleiding

Ethische discussies staan vaak bol van de verborgen premissen. De onuitgesproken aannames betreffen meestal de waarden, de doelen waarnaar gestreefd wordt, maar daarvóór zit nog een andere aanname: dat men moreel zou moeten zijn. Maar is dat wel zo?

Wel, wat is dat eigenlijk, moreel zijn? En is dat hetzelfde als ethisch zijn? Het onderscheid tussen de twee wordt op verschillende manieren geduid[1], maar een ontrafeling van die verwarrende terminologie zou een onderwerp op zichzelf zijn. Daarmee wil ik niet voorbij gaan aan de dichotomieën die in de verschillende definities aan bod komen, maar daar juist de nadruk op leggen. Of je dat vervolgens ethiek of moraliteit noemt, hangt af van je keuze in betekenis.

Wat mij interesseert is of ik een verplichting heb om ‘goed’ te doen (of te zijn), wat dat eigenlijk betekent, waar die verplichting vandaan zou komen en waarop zij betrekking heeft.

In deze paper probeer ik – zo goed en zo kwaad als het gaat – die vragen te beantwoorden, door in te gaan op de sociale basis van ethiek. Daaruit volgt, volgens mij, inderdaad een morele verplichting voor iedereen die deelneemt aan een gemeenschap. Maar deze verplichting betreft niet het overnemen van bepaalde inhoudelijke waarden. Het gaat, denk ik, om het bewaken van de formalistische vrijheid waarin iedereen zijn eigen waarden mag bepalen en nastreven. Op dat minimum zou een samenleving kunnen bouwen aan een meer omvattende ethiek.

 

Mensen zijn moreel

De vraag of ik moreel moet zijn, veronderstelt dat het ook mogelijk is om niet moreel te zijn. Maar kunnen we ons wel onttrekken aan moraliteit? Kunnen we amoreel zijn? Of, anders opgevat, is het mogelijk om ons in het morele domein te begeven, maar zogezegd aan de ‘slechte’ kant? Kunnen we immoreel zijn?

Ik denk dat we allemaal goed willen zijn en goed willen doen. Ook iemand die zich niet bezighoudt met vraagstukken betreffende goed en slecht, lijkt er daarbij vanuit te gaan dat het goed is om amoreel te zijn, of toch dat daar iets goed aan is, dat het geoorloofd is.

Hetzelfde geldt voor zogenaamd immorele personen. Leiders die op grote schaal worden beschouwd als wrede dictators hebben waarschijnlijk het idee dat ze goed bezig zijn; dat ze hun familie, hun volk, of de mensheid een dienst bewijzen.

Zo beschouwd zou de vraag ‘Waarom moet ik moreel zijn?’ beantwoord kunnen worden door te wijzen op de onmogelijkheid van de negatie. Mensen zijn moreel.

 

Intersubjectiviteit als mogelijkheidsvoorwaarde voor ethiek

Tegelijkertijd gaat dat antwoord niet in op de substantie van die moraliteit. Als bij de definiëring wordt uitgegaan van een bepaalde inhoud zou de vraag dus niet beantwoord zijn. Een voor de hand liggende optie is dat het bij ethiek gaat om hoe je je verhoudt tot de ander.

Stel, je woont alleen op een eiland. Geen onbewoond eiland dus, want jij woont er, maar naast jou is er geen mens. En geen dier. Je bent daar achtergelaten op een leeftijd van vóór je eerste herinneringen. Met andere woorden: je weet überhaupt niet van het bestaan van andere mensen of dieren. Hoe je het hebt overleefd, doet er even niet toe, de vraag die mij interesseert is of je in die situatie een moreel wezen zou kunnen zijn.

Voor mij veronderstelt moraliteit minstens twee mensen. De eenling op het eiland is soeverein, een onafhankelijk individu. Er is geen weerstand; er is geen culturele consensus, er zijn geen wetten, er is geen persoon wiens soevereiniteit mogelijk in het gedrang komt door zijn acties. Er is, kortom, geen grond voor ethiek.

Ethiek komt pas om de hoek bij een botsing van waarden, van verschillende invullingen van ‘goed’. Pas dan namelijk kan er in een individu een idee ontstaan van ‘fout’, en daarmee van de meest basale dichotomie van ethiek. Op het moment dat de waarden van dat individu in confrontatie komen met die van een ander individu worden waarden relatief. Kortom, intersubjectiviteit als mogelijkheidsvoorwaarde voor ethiek.

 

‘Goed’ is relatief

Als in een samenleving verschillende waarden inderdaad met elkaar in botsing komen, dan zou je ook alle anderen kunnen vermoorden, om vervolgens je eigen zin uit te leven. Kan er een criterium worden gegeven dat dat verbiedt?

Om dat te bereiken zal je een criterium moeten vinden waarachter iedereen zich kan scharen. Eén bepaalde invulling van wat ‘goed’ is. Maar wat is het om te zeggen dat iets ‘goed’ is? Wat gebeurt er eigenlijk als iemand een morele uitspraak doet? Verwijst die persoon naar morele feiten of zijn morele beweringen ‘slechts’ een uiting van een innerlijkheid – van een emotie, een intuïtie, het geweten?

Ik geloof niet dat er morele feiten bestaan. De hardnekkigheid van morele conflicten kan abductief worden opgevoerd als bewijs, maar de bewijslast ligt misschien eerder bij degenen die geloven dat morele feiten wél bestaan. Wat zouden die dan zijn en hoe kunnen we ze kennen?

Een andere optie om tot een gemeenschappelijke opvatting van ‘goed’ te komen, is zeggen dat we eigenlijk al dezelfde morele opvatting hebben. Op het oog is dat vergezocht. Ik heb een idee en een gevoel bij ‘goed’, maar ik hoef niet veel mensen te spreken om te ontdekken dat mijn ‘goed’ niet het ‘goed’ van de gehele mensheid lijkt te zijn.

Maar sommigen zullen beargumenteren dat dat, in de basis, wél zo is. Meestal door te stellen dat iedereen ‘goed’ noemt wat geluk of genot verhoogt en lijden vermindert[2]. Maar dat lijkt me een problematische stelling. Hoe weten we vooraf wat de gevolgen van een actie zullen zijn? Natuurlijk, in veel gevallen kan je die behoorlijk inschatten, maar komt ethiek niet juist van pas bij de gevallen waar de consequenties niet voor de hand liggen? Bovendien ligt regressie op de loer, want wat is geluk? En hoe meten we lijden?

Een andere algemeen ‘goed’ kan worden gezocht in de bestaande normen en waarden van een samenleving. Maar heeft iemand die spreekt over moraal als iets dat louter voortkomt uit jezelf het dan mis? En wat als iemand zich niet in de zeden van zijn gemeenschap kan vinden? Zou die persoon zich moeten onderwerpen aan de meerderheid?

Als er geen morele feiten, of algemeen geaccepteerde waarde(n) zijn, is er geen maatstaf om de ene opvatting boven de andere te verkiezen. Het zijn juist de verschillende invullingen van ‘goed’ die de basis vormen van de verschillende ethische stromingen. ‘Goed’ is relatief.

 

Juist over smaak valt te twisten

Maar kan je daar meer over zeggen dan het relativistische ‘iedereen zijn waarheid’? Kan je, als je niet gelooft in het bestaan van morele feiten, of algemeen geaccepteerde waarden, nog wel een ethische discussie voeren?

Relativisme wordt vaak onderschat. Een relativist zal, als hij consequent is, erkennen dat zijn opvatting slechts één mogelijke opvatting is. Tegelijk kan zij of hij vinden dat het de juiste opvatting is. Een relativist kan zichzelf verdedigen.

Hannah Arendt geeft hierin een prachtig handvat door de ‘sensus communis’ die Kant gebruikte voor het reflecterende oordeel[3], toe te passen in het politieke, openbaar morele, domein. Dat gaat ongeveer zo in zijn werk: Je oordeel lijkt een subjectief en singulier oordeel, maar in wezen doe je een appel op de ander – via de Kantiaanse universele mededeelbaarheid. ‘Moorden is slecht’, zegt dan niet alleen ‘Het is mijn gevoel of overtuiging dat moorden slecht is’, maar het voegt daar als het ware aan toe: ‘Dat zou jij , dat zou iedereen, ook moeten vinden!’ [4]

De relativiteit van waarden is dus geen probleem, het is juist een mogelijkheidsvoorwaarde voor een ethisch discours. Als er absolute waarden zouden bestaan, zou het debat alleen hoeven gaan over het (h)erkennen ervan en wellicht over de beste manier om die waarden te verwezenlijken. Als je er vanuit gaat dat waarden relatief zijn aan de persoon die de opvatting heeft, is er daadwerkelijk sprake van een meningsverschil. En juist over smaak valt te twisten.

 

De filosoof als tolk in het ethisch debat

Maar valt dat twistgesprek binnen het filosofische domein? Filosofie is er volgens mij niet om mensen te zeggen wat goed en fout is, de wijsbegeerte moet verduidelijken. Dat is op zichzelf een normatieve visie, daar ben ik me van bewust, maar het erkent dat je de inhoudelijke basispremissen van ethiek niet filosofisch-rationeel kunt verantwoorden.

Waar de filosoof wel zinnig werk kan verrichten, is in de vertaling. Een morele uitspraak is niet enkel een moreel appel en de uiting van iets innerlijks, maar ook een vertaling van dat innerlijke. Er worden woorden gegeven aan de emotie of aan de intuïtie.

Die verwoording zal nooit de gehele ervaring van het morele kunnen vatten. De formalisering van de taal is geen perfecte afbeelding van de werkelijkheid – ook al zit die ‘van binnen’ – omdat je geen universeel standpunt kunt innemen. Anders gezegd: je bent zelf een deel van dat wat je probeert te vertalen. Filosofen kunnen die taal analyseren en vragen naar wat niet expliciet wordt gemaakt, om dichter bij de betekenis te komen.

Het is goed mogelijk dat daaruit volgt dat we meer waarden delen dan op het eerste gezicht lijkt. Onze normen, de concrete invulling van waarden, zijn afhankelijker van de context dan die waarden zelf. Op die manier kan filosofie bijdragen aan een rijkere morele eenheid, door opheldering over de onderliggende waarden. De filosoof als tolk in het ethisch debat.

 

Verantwoordelijkheid voor vrijheid als een minimum aan moraliteit

Maar wat kunnen we verwachten van dat ethische debat? Uitkomen bij één inhoudelijk criterium lijkt uit den boze; mensen hebben sterke overtuigingen over goed en slecht. Die allemaal op één lijn krijgen, is een onmogelijke taak.

Maar, zou niet ieder individu het ermee eens kunnen zijn dat hij of zij zijn of haar eigen waarden zou moeten mogen bepalen om vorm te geven aan het leven? Zelfs al is voor iemand de belangrijkste waarde een collectief uitgangspunt, dan zou dát de keuze zijn die diegene wil kunnen maken.

Het is ook wat ik zelf verwacht van de samenleving: dat ik mijn eigen waarden kan vaststellen, en de poging kan wagen daarnaar te leven. Vrijheid, ja. Geen absolute vrijheid – wat zou dat überhaupt kunnen betekenen, behalve chaos? – maar een relatieve vrijheid. Relatief aan, ofwel afhankelijk van, de samenleving waarvan ik deel uitmaak.[5] Of, beter, mogelijk gemaakt door die samenleving.

En is dat in de praktijk ook niet de belangrijkste component van wat ons rechtssysteem poogt te zijn? Een instituut waarin we vast hebben gelegd hoe we zo veel mogelijk vrijheid kunnen garanderen voor zo veel mogelijk mensen. Vrijheid door begrenzing.

Dat lijkt misschien mager, maar het is een antwoord op de vraag ‘Waarom zou ik moreel moeten zijn?’  Wij allemaal, en dus ook ik, dragen verantwoordelijkheid voor vrijheid als een minimum aan moraliteit.

 

Conclusie

De vraag ‘Waarom zou ik moreel moeten zijn?’ kan als evident antwoord hebben: ‘Wel, omdat ik niet anders kan’ – iedereen heeft immers een bepaald ‘goed’ voor ogen. Maar als moraliteit gaat over intersubjectiviteit zou er een bepaalde invulling aan dat ‘goed’ moeten worden gegeven. Een opvatting die het individu overstijgt.

Het lijkt onmogelijk om voorbij moreel relativisme te geraken als morele feiten niet bestaan en er geen algemeen goed kan worden gevonden, maar dat wil niet zeggen dat de morele missie mislukt is. Ethiek is een zaak van smaak, en in die inhoudelijke zin geen filosofische activiteit, maar een formele waarde die iedereen kan aanvaarden is de vrijheid om zijn of haar eigen leven vorm te geven, in lijn met zijn of haar ethische opvatting.

Dat geeft ons allemaal de morele verantwoordelijkheid om die vrijheid te bewaken, als een minimum aan moraliteit. Een beperkte vrijheid, die erkent dat we deel zijn van een samenleving; omdat ik mijn eigen waarde(n) wil kunnen realiseren, heb ik de morele verplichting de vrijheid van de ander te respecteren.

Behalve dus als je in je eentje op een eiland gaat wonen.
Dan mag je, wat mij betreft, alle moraal laten varen.

 


Bibliografie

Arendt, H., en R. Beiner. 2014. Lectures on Kant’s Political Philosophy. University of Chicago Press.

Bentham, J. 1876. An Introduction to the Principles of Morals and Legislation. An Introduction to the Principles of Morals and Legislation, v. 52;v. 233. Clarendon Press.

Kant, Immanuel, 1724-1804 (viaf)82088490, Jabik Veenbaas, en Willem Visser. 2009. Kritiek van het oordeelsvermogen. Amsterdam : Boom.

Mill, J.S., en S. Collini. 1989. J. S. Mill: “On Liberty” and Other Writings. Cambridge Texts in the History of Political Thought. Cambridge University Press.


[1] Soms wordt ethiek gezien als de studie van moraal, en moraal als een geheel van opvattingen over wat goed en fout is; ethiek zou zich dan op een ‘hoger’ niveau bevinden. Anderen zien ethiek als individuele moraal, waar ‘gewone’ moraal uitgaat van een bepaalde groep. Een visie die mijn sympathie heeft, gaat uit van de etymologie; ethiek zou dan verband houden met het karakter (èthikè, èthos), moraal (moralitas) met de heersende zeden.

[2] Dat is de opvatting van het ‘klassieke’ utilitarisme. Jeremy Bentham beschrijft in ‘An Introduction to the Principles of Morals and Legislation’ zijn ‘principle of utility’: “that principle which approves or disapproves of every action whatsoever, according to the tendency which it appears to have to augment or diminish the happiness of the party whose interest is in question : or, what is the same thing in other words, to promote or to oppose that happiness.” (Bentham 1876, 2)

[3] Zie Kants ‘Kritiek van het oordeelsvermogen’.

[4] In haar Lectures on Kant’s Political Philosophy schrijft Arendt: “One judges always as a member of a community, guided by one’s community sense, one’s sensus communis.”

[5] John Stuart Mill beschrijft deze liberale opvatting in ‘On Liberty’ als volgt: “The only freedom which deserves the name, is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it.” (Mill en Collini 1989, 16)