Wat zijn de ethische implicaties van Darwins evolutietheorie?

Waar de wijsbegeerte ruim twee en een half duizend jaar slechts bij uitzondering sprak over dieren, is dierenethiek de laatste decennia een bloeiend deelgebied van de filosofie geworden. De evolutietheorie van Charles Darwin[1] speelt een grote rol voor veel filosofen die betogen dat we een andere houding zouden moeten aannemen ten opzichte van (bepaalde) dieren. Maar leidt Darwins evolutietheorie ons inderdaad logisch naar het toekennen van een hogere morele status aan mensapen en, wellicht, andere dieren?

Ik zal eerst in grote lijnen proberen te schetsen wat het beeld van de relatie tussen mens en dier was vóór Darwin, om daarna te kunnen bespreken welke verandering Darwin in gang heeft gezet. Ten slotte zal ik proberen te achterhalen of er ethische implicaties, en zo ja welke, volgen uit Darwins evolutietheorie.

 

DARWINS REVOLUTIE

Vóór Darwin was de Westerse visie op de natuur in het algemeen essentialistisch: alles had zijn vaste plek in het statische geheel van de kosmos. Vanuit het idee van een goddelijke Schepping is dat een logisch uitgangspunt; God zou alle dieren en mensen hebben geschapen in een natuurlijke orde. Maar ook in de filosofie heerste lange tijd een soortgelijk beeld. Aristoteles ging er bijvoorbeeld van uit dat alles een inherent doel (telos) heeft. Ook Plato’s Vormenwereld suggereert een statisch wereldbeeld: alles heeft een ideale Vorm, waar het hoogstens dichterbij kan komen.

Belangrijk aan deze opvatting is dat er een hiërarchie achter die orde zit, bepaald door de mate van perfectie. De mens neemt in de ‘scala naturae’ een bijzondere plek in[2], tussen de dieren en God, als een schakel tussen het materiële en het spirituele. Verwijzend naar Genesis 1:28[3] (2004, 1:28) werd aangenomen dat alles op aarde functioneel is en in dienst staat van de mens. De mens is er vervolgens om God te eren. Dit sluit aan bij Descartes’ idee dat de mens het enige wezen met een ‘ziel’ zou zijn (Margodt 2016). De Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant was weliswaar tegen wreedheid jegens dieren, maar de reden die hij daarvoor aandroeg, was dat dat zou kunnen leiden tot wreedheid jegens mensen (Rachels 1998).

Darwins evolutietheorie heeft dit beeld – dat van de rationele, hogere mens tegenover het instinctieve, lagere beest – doen kantelen. Het idee van doelmatigheid, of van een perfecte creatie, is moeilijk te rijmen met Darwins ‘struggle for life’. In dat concept, dat voortkomt uit het feit dat er meer organismen geboren worden dan er kunnen overleven, worden de variaties die de grootste kans hebben op overleven in de specifieke context (‘survival of the fittest’), in ruimere mate doorgegeven aan volgende generaties. Zo evolueert het leven.

Ook later onderzoek, schatplichtig aan Darwin, is van groot belang geweest voor het onderuithalen van de ‘scala naturae’. De paleo-antropologie laat de gezamenlijke afstamming van dieren zien, de moleculaire biologie toont de grote genetische gelijkenis tussen mens en chimpansee (ongeveer 98,7%, waardoor mensen nu als hominiden worden gecategoriseerd), en de ethologie ten slotte laat zien dat dieren, en dan met name mensapen, capaciteiten hebben die vaak enkel aan mensen werden toegeschreven (Margodt 2016).

 

GRADUALISME

In zijn boek ‘Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?’ ageert Frans de Waal tegen wat hij ‘neo-creationisme’ noemt: een breed gedeelde visie die de evolutietheorie maar half lijkt te accepteren. Lichamelijk zijn we volgens deze neo-creationisten inderdaad geëvolueerd van aap naar mens, maar onze geest zou iets aparts zijn, waarmee we ons toch onderscheiden van andere dieren. De Waal toont echter aan dat er ook op ‘geestelijk’ vlak slechts graduele verschillen zijn tussen mensen en dieren. Cultuur, communicatie, emoties, cognitieve capaciteiten, moraliteit, etcetera; allemaal aangetoond aanwezig bij andere dieren. Alleen de mate waarin die eigenschappen aanwezig zijn, verschilt (De Waal and Sterre 2016). Ook Darwin deed deze observatie reeds: “Er is geen fundamenteel verschil tussen mensen en hogere zoogdieren in hun mentale vermogens.”[4] (Darwin and Beer 1998, 35) Dat is het standpunt van de gradualisten. Het verschil in gradatie wordt volgens hen verklaard door het verschil in omgeving.

Volgens filosofe Christine M. Korsgaard heeft De Waal niet helemaal gelijk en is er wel degelijk een verschil tussen mensen en (andere) dieren. De mens is volgens haar uniek, omdat hij met een normatieve blik naar de wereld kijkt. Wij denken na over of onze redenen ‘goed’ zijn, en over of wij zelf ‘goed’ zijn. Een dier heeft wel redenen, aldus Korsgaard, maar vraagt zich niet af of die moreel zijn. Ook al zouden ze altruïstisch kunnen zijn, die vormelijke (en volgens haar Kantiaanse) morele dimensie zou bij dieren ontbreken.

Overigens ziet ook De Waal wel een verschil: “Het enige verschil dat ik accepteer is taal, dat is wel een speciaal vermogen van de mens. (…) Maar zelfs het taalvermogen – als je dat uit elkaar trekt en naar de onderdelen kijkt, ga je die ook weer vinden bij dieren.” Jane Goodall, die al decennia onderzoek doet naar chimpansees, vat het als volgt samen: “Niet alleen de mens heeft een persoonlijkheid, denkt rationeel en kent emoties als vreugde, verdriet, angst en wanhoop.” Overigens denkt zij niet dat chimpansees een besef hebben van hun eigen sterfelijkheid. Ook zij ziet dus wel iets van verschil, maar ze benadrukt toch vooral de gelijkenissen (Kayzer 2000).

De mate waarin we verschillen van dieren kan dus wel worden beschreven, maar met name als soortspecifieke adaptaties, niet als essentiële kenmerken. Frans de Waal: “Een mens kan een boek lezen en een olifant kan geen boek lezen; maar een olifant heeft ook helemaal geen behoefte om een boek te lezen. Hij leeft in een heel andere wereld.” (De Rek 2016) Een soortgelijk argument wordt naar voren gebracht door Ravelingien, Braeckman en Legge in hun paper ‘Between the species’: “De gehele anatomische, fysiologische, cognitieve, psychologische en emotionele architectuur van de mens – of van eender welke andere soort – is het resultaat van een set adaptaties die gradueel zijn gevormd om te antwoorden op de specifieke adaptieve problemen van onze voorgangers, de jager-verzamelaars.”[5] Maar ook al zouden we die verschillen kunnen oplijsten, waarom zou dat moreel relevant zijn, vragen zij zich af (Ravelingien, Braeckman, and Legge 2006). En ook al zouden er wel een of meerdere essentiële verschillen zijn, zoals Korsgaard suggereert, wat maakt die eigenschap(pen) dan ‘beter’?

 

ETHISCHE CONSEQUENTIE

In 1970 introduceerde Richard Ryder de term ‘speciësisme’ in een gelijknamig pamflet, om de discriminatie van andere diersoorten op de kaart te zetten. Ryder: “Als alle organismen zich op een fysisch continuüm bevinden, dan zouden we ons ook op hetzelfde morele continuüm moeten bevinden.”[6] (Ryder 2010, 1) Ravelingien et al. volgen een analoge redenering als ze stellen dat het eigenlijk zou moeten gaan over de morele waarde van kenmerken, niet over of ze al dan niet menselijk zijn. Zij pleiten voor ‘capacity dignity’ in plaats van ‘human dignity’. Het gevolg daarvan is dat je kunt spreken over gradaties van morele status, in plaats van alles (mens) of niets (niet-mens) (Ravelingien, Braeckman, and Legge 2006). Maar hoe bepaal je het criterium voor deze morele schaal van kenmerken? En kan Darwin hierbij van pas komen?

Darwin heeft beschreven hoe evolutie werkt, maar dat is op zichzelf geen grond voor een betere behandeling van dieren. Hoe iets is, is niet gelijk aan hoe iets zou moeten zijn; de filosofische ‘is-ought-kloof’. In de natuur vind je wel moraal (altruïsme, zorgzaamheid), maar geen ethiek, geen waarden. Dat is op zichzelf een les die je zou kunnen trekken uit Darwins evolutietheorie: het blinde, doelloze proces van evolutie is enkel gebaseerd op variatie en functionaliteit, niet op of iets ‘goed’ of ‘slecht’ zou zijn.

De evolutietheorie kan natuurlijk wel ondersteunend zijn voor een mens- of wereldbeeld waaruit een ethische theorie voortkomt. Bijvoorbeeld door te wijzen op de gradualistische implicatie bij het pleidooi voor (meer) dierenrechten. Maar ook voorstanders van de tegengestelde positie kunnen zich wenden tot Darwin. Speciësisme kan worden gezien als iets dat leidt tot voordeel voor de eigen soort, doordat de verspreiding van genen en de sterkte van de sociale structuren wordt beschermd.

Maar beide standpunten zijn niet te deduceren uit de evolutietheorie; een verklaring is nog geen rechtvaardiging. Er is een extra premisse nodig, een ethische standaard, om die afleiding te kunnen maken.

 

LIJDEN ALS STANDAARD

 Een premisse die vaak terugkomt in het debat wordt door filosoof Floris van den Berg ‘het lijdenaxioma’ genoemd: “het onnodig toebrengen van leed is slecht” (Van den Berg 2016). Jeremy Bentham verwoordde het in 1759 als volgt: “De vraag is niet Kunnen ze redeneren? noch, Kunnen ze praten? maar, Kunnen ze lijden?”[7] (Bentham 1823, II:236) Dit kan worden opgevat als een anti-speciësistische houding avant la lettre; het gaat Bentham niet om ‘menselijke’ eigenschappen als redeneren en praten, maar om het vermogen tot lijden, iets waarvan het eerder voor de hand lijkt te liggen dat dieren daartoe in staat zijn.

Maar waarom is lijden de doorslaggevende factor? Waarom neem je een leven met zo min mogelijk lijden als ethisch uitgangspunt? Een mogelijk antwoord is dat het iets is waarover weinig discussie is.[8] Iedereen heeft in meer of mindere mate geleden, een ervaring die in de meeste gevallen niet gewenst en negatief was. Door je te richten op het lijden, zou het bovendien eenvoudiger kunnen zijn je te identificeren met dieren, en in empathie de grens van de soorten te overschrijden.

Stel nu dat je de premisse van Bentham accepteert. Dan is de vraag hoe dat de praktijk zal beïnvloeden. Hoe meet je lijden? En wat betekent het voor onze omgang met dieren? Voorstanders van speciësisme zouden kunnen aanvoeren dat de maatschappelijke structuur in het geding zou kunnen komen als we dieren meer rechten geven. Het zou in hun ogen een te radicale stap kunnen zijn. Maar als we als ought verwoorden dat er zo min mogelijk lijden zou moeten zijn, en geen goede reden kunnen geven om die ethiek te beperken tot de mens, dan kunnen we nadenken over hoe we in de praktijk de situatie van dieren kunnen verbeteren, hoe we tot een goede is kunnen komen. Met andere woorden: een ‘is-ought-kloof’ betekent niet automatisch een ‘ought-is-kloof’. Het afschaffen van de slavernij leverde ook een radicaal andere samenleving op, maar in de ogen van velen wel een betere samenleving.

 

CONCLUSIE

Darwin ontwikkelde geen ideologie, hij ontwikkelde een wetenschappelijke theorie. Wetenschappelijk, omdat het ondersteund wordt door, overigens overweldigend, empirisch bewijs. Maar toch, bij voldoende deugdelijk tegenbewijs zou de theorie verworpen worden. Dat is hoe wetenschap werkt, of toch zou moeten werken: niet dogmatisch. Het wordt pas een leer, een ideologie, als je er een ethische keuze aan toevoegt. En er zal altijd een extra premisse nodig zijn om die ethische keuze te verantwoorden.

Persoonlijk leek Darwin wel degelijk een idee te hebben over welke ethische keuze hij prefereert. Hij beschouwde wreedheid jegens dieren, samen met slavernij, als de twee grootste menselijk morele fouten (Rachels 1998):

“Sommigen die voor het eerst nadenken over dit onderwerp zullen zich afvragen hoe men heeft kunnen toestaan dat zo veel wreedheid kan voortduren in deze dagen van beschaving.”[9] (Darwin and Darwin 1863)

 


BIBLIOGRAFIE

Bentham, Jeremy. 1823. An Introduction to the Principles of Morals and Legislation. A new edition, corrected by the author. Vol. II. London: W. Pickering, Lincoln’s-Inn Fields ; and E. Wilson, Royal Exchange.

Berg, Floris van den. 2016. “Ecohumanisme.” Universiteit Gent, September 3.

Braeckman, Johan. 2016. “Wijsgerige_Antropologie_2016_A-H.” Universiteit Gent, February.

Cavalieri, Paola, and Peter Singer, eds. 1993. The Great Ape Project. New York: St. Martin’s Griffin.

Darwin, Charles Robert. 2016. “To Asa Gray, 22 Mei 1860.” Darwin Correspondence Project – University of Cambridge. Accessed May 13. https://www.darwinproject.ac.uk/letter/DCP-LETT-2814.xml.

Darwin, Charles Robert, and Gillian Beer. 1998. The Origin of Species. Oxford : Oxford university press. http://lib.ugent.be/catalog/rug01:000669870.

Darwin, Charles Robert, and Emma Darwin. 1863. “‘An Appeal’ against Animal Cruelty.” Darwin Correspondence Project – University of Cambridge. Accessed May 13. https://www.darwinproject.ac.uk/topics/life-sciences/darwin-and-vivisection/appeal-against-animal-cruelty.

Gustave, ed. 2004. Bijbel: In de Nieuwe Bijbelvertaling. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Kayzer, Wim (samenstelling en interviews). 2000. “Van de Schoonheid En de Troost – Jane Goodall.”

Korsgaard, Christine M. 2014. Ethics & Morality – Extended. https://www.youtube.com/watch?v=jzBLPDt-Bl0.

Margodt, K. 2016. “Other Great Apes and Us: Some Similarities and Differences.” Universiteit Gent, March 14.

Rachels, James. 1998. “Animals and Ethics.” doi:10.4324/9780415249126-L004-1.

Rachels, Stuart, and James Rachels. 2015. The Elements of Moral Philosophy. Dubuque: McGraw-Hill Education.

Ravelingien, An LW01 001997257076, Johan Braeckman, and M Legge. 2006. “On the Moral Status of Humanized Chimeras and the Concept of Human Dignity.” http://lib.ugent.be/catalog/pug01:383084.

Rek, Wilma de. 2016. “De Olifant Is Slimmer, Maar Wij Willen Dat Niet Toegeven.” De Volkskrant, April 23. http://www.volkskrant.nl/boeken/-de-olifant-is-slimmer-maar-wij-willen-dat-niet-toegeven~a4287752/.

Ryder, Richard D. 2010. “Speciesism Again: The Original Leaflet.” Critical Society, no. Issue 2 (Spring).

Shanahan, Timothy. 2004. The Evolution of Darwinism: Selection, Adaptation, and Progress in Evolutionary Biology. Cambridge, UK ; New York: Cambridge University Press.

Stevenson, Leslie Forster, David L. Haberman, Peter Matthews Wright, and Leslie Forster Stevenson. 2013. Twelve Theories of Human Nature. 6th ed. New York: Oxford University Press.

Waal, Frans de, and Jan Pieter van der Sterre. 2016. Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact.


[1] Er zijn meerdere evolutietheorieën, zoals die van Jean-Baptiste de Lamarck en die van Alfred Russel Wallace, maar in dit essay zal ik met de term ‘evolutietheorie’ refereren aan die van Charles Darwin, waarvan de basis gevormd wordt door natuurlijke selectie.

[2] Er zijn uitzonderingen, zoals de atomisten en David Hume, maar de overgrote meerderheid van de filosofen die zich (voor Darwin) hebben uitgelaten over de plek van de mens in de natuur, gaan uit van een bijzonder statuut voor de mens.

[3] Genesis 1:28: “Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ ”

[4] eigen vertaling, origineel: “There is no fundamental difference between man and the higher mammals in their mental faculties.”

[5] eigen vertaling, origineel: “The entire anatomical, physiologic, cognitive, psychological and emotional architecture of humans – or any species for that matter – is thus the result of a set of adaptations that were gradually ‘engineered’ to respond to the specific adaptive problems of our hunter-gatherer ancestors.”

[6] eigen vertaling, orgineel: “If all organisms are on a physical continuum, then we should also be on the same moral continuum.”

[7] eigen vertaling, origineel: “The question is not, Can they reason? nor, Can they talk? but, Can they suffer?”. Dit beroemde citaat is overigens slechts een voetnoot in Benthams werk.

[8] Er zijn uitzonderingen: Friedrich Nietzsche bijvoorbeeld heeft met zijn notie van ‘amor fati’ gepoogd een manier te vinden om het lijden te willen, hoewel dat met name lijkt te gaan over lijden dat er reeds is. Ik zal hier verder niet over uitweiden, maar wil wel wijzen op het boek ‘The affirmation of life’ (2006) van Bernard Reginster, waarin uitgebreid op Nietzsches omgang met het lijden wordt ingegaan.

[9] eigen vertaling, origineel: “Some who reflect upon this subject for the first time will wonder how such cruelty can have been permitted to continue in these days of civilisation.”