Kunnen we morele kennis hebben? Om dat te bespreken, moeten we eerst weten wat morele kennis is. Volgens Duncan Pritchard betreft het: “kennis van proposities die betrekking hebben op morele waarheden (als die er zijn).” (Pritchard 2014, 144, eigen vertaling) Om te kunnen evalueren of we dat soort kennis (kunnen) bezitten, is het zinvol om de definitie van ‘kennis’ erbij te nemen. Pritchard hanteert de klassieke notie van kennis, waarbij iemand kennis heeft als hij of zij een verantwoorde, ware opvatting heeft (Pritchard 2014, 23). Gettier heeft weliswaar gewezen op de mogelijkheid om aan deze eisen te voldoen en toch geen kennis te hebben, maar de antwoorden op deze ‘Gettier-gevallen’ zijn aanbevelingen voor een uitbreiding van de criteria (Pritchard 2014, 27). Dus lijkt het veilig om te stellen dat er ten minste aan drie criteria moet worden voldaan om over kennis te spreken: er moet sprake zijn van een opvatting, die bovendien verantwoord moet zijn – ofwel: waarvoor goede redenen zijn – én die waar moet zijn.

            Dat er sprake is van een opvatting in het geval van morele uitspraken of gedachten, lijkt evident. Ook kunnen er goede redenen gegeven worden voor een opvatting, al is hier al moeilijker te bepalen wat in het geval van morele proposities goede redenen zijn. Dat hangt samen met de complexiteit van het derde criterium, waarheid. Als we uitgaan van de common sense-opvatting van waarheid, is een ware opvatting een opvatting die overeenstemt met de werkelijkheid. Maar bestaat er zoiets als een morele werkelijkheid, met daarin morele feiten? En (hoe) zouden we die kunnen kennen?

            In de Stanford Encyclopedia of Philosophy worden meningsverschillen op het gebied van moraal tegenover die op het gebied buiten de moraal geplaatst. Als het zo is dat eerstgenoemde moeilijker zijn op te lossen, dan is een mogelijke verklaring dat er simpelweg geen stand van zaken is, dat er geen morele feiten bestaan. Deze verklaring wordt bekomen door ‘inference to the best explanation’ (Campbell 2015, sectie 1), ofwel abductie. In deze vorm van redeneren wordt een waargenomen fenomeen verklaard aan de hand van de meest plausibele verklaring (Pritchard 2014, 96). Het is dit abductie-argument voor het niet bestaan van morele feiten, en daarmee voor moreel expressivisme, dat ik wil verdedigen.

            De premisse waarvoor een verklaring wordt gegeven, is de sociologische claim dat morele meningsverschillen moeilijker zijn op te lossen dan empirische meningsverschillen. Maar waar komt die premisse vandaan? Zowel het handboek van Pritchard (Pritchard 2014, hoofdstuk 13), als de Stanford Encyclopedia of Philosophy (Campbell 2015, sectie 1), als mijn eigen ervaring wijzen in de richting van deze vaststelling. Ik zal deze bronnen als inductief bewijs aannemen en het argument vervolgen.

            Dat het niet bestaan van morele feiten een goede verklaring zou zijn voor het niet gemakkelijk overeenkomen in morele aangelegenheden is duidelijk – er is dan immers geen externe bron die het pleit kan beslechten. Maar zijn er geen andere goede verklaringen mogelijk? Een alternatief is dat degenen die een moreel meningsverschil uitvechten een verschillende culturele achtergrond hebben die de oorzaak is van hun opvattingen. Het ‘moreel relativisme’ zegt in dat geval dat beiden wel morele kennis hebben, maar dat die relatief is aan hun culturele achtergrond (Campbell 2015, sectie 1). Inderdaad kan cultuur de oorzaak zijn van het meningsverschil, maar hoe moreel relativisme kan spreken over kennis is onduidelijk, als we de klassieke definitie van kennis hanteren. Die definitie vereist juist dat kennis objectief is.

            Een andere mogelijke verklaring is dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een meningsverschil. James Rachels en Stuart Rachels noemen deze opvatting ‘eenvoudig subjectivisme’. Volgens deze theorie spreken de debaters allebei over iets anders, ze drukken hun individuele meningen uit (Rachels en Rachels 2015, 36). Daarin hebben ze beiden gelijk: het is een feit dat ze die mening hebben. Maar Charles L. Stevenson maakt een onderscheid tussen ‘een meningsverschil over een opvatting’ (‘disagreement in belief’) en een meningsverschil in houding (‘disagreement in attitude’). Een moreel meningsverschil valt volgens hem in de tweede categorie, en morele oordelen zijn volgens hem ‘expressions of attitude’. Een morele uitspraak zou dan bedoeld zijn om anderen te overtuigen (Rachels en Rachels 2015, 37-38). Dat is de visie van het ‘moreel expressivisme’: het idee dat een morele propositie een subjectief ‘sentiment’ weergeeft, en geen objectief feit (Pritchard 2014, 147).

            Volgens Rachels en Rachels schiet deze visie – die zij ‘emotivisme’ noemen – tekort, omdat ze niet in staat is te verklaren dat iemand die een morele uitspraak doet niet alleen zijn houding uit, maar ook daadwerkelijk iets waars wil zeggen (Rachels en Rachels 2015, 39). Dat bezwaar ligt in de lijn van de uitdaging waar Pritchard het moreel expressivisme voor stelt: verklaren wat we doen als we een morele bewering uiten. Zowel Pritchard als Rachels en Rachels bespreken de optie dat deze beweringen moeten worden gezien als bevelen (Pritchard 2014, 147) (Rachels en Rachels 2015, 37), maar volgens mij ligt het subtieler. Ik ben het met hen eens dat een morele uitspraak niet slechts bedoeld is om informatie over te brengen, maar ik geloof niet dat zo’n uitspraak zo uitgesproken is als een claim tot waarheid of een bevel. Ik geloof dat we bij een morele uitspraak ons er heel goed bewust van zijn dat we ‘slechts’ een mening uiten. Maar tegelijkertijd kunnen we vinden dat die mening het best te verdedigen is. Het doet weliswaar geen aanspraak op een moreel feit, maar we kunnen wel een beroep doen op de ander: een moreel appèl. Een uitnodiging om een standpunt in overweging te nemen. De vraag is alleen hoe je zo’n mening verdedigt als je je niet kunt beroepen op morele feiten.

            We nemen bij een moreel statement – naast eventueel empirische en situationele kennis, die we feitelijk kunnen bestrijden – een extra premisse aan: een ethische keuze. Die premisse kan nooit worden gefundeerd door een feitelijke basis. Het is mogelijk te wijzen op Darwiniaanse adaptaties (Campbell 2015, inleiding), maar een verklaring van het bestaan van moreel gedrag is geen bewijs voor het bestaan van morele feiten. Het lijkt, gezien al het bovenstaande, de beste verklaring dat die morele feiten in het geheel niet bestaan. Met andere woorden: het morele debat is een debat van smaak. In tegensteling tot het spreekwoord, valt over smaak echter heel goed te twisten. Dat is wat ethiek zo ingewikkeld en interessant maakt. En het is de beste verklaring voor de hardnekkigheid van morele meningsverschillen.

 

Bibliografie

Campbell, Richmond. 2015. “Moral Epistemology.” The Stanford Encyclopedia of Philosophy. Geraadpleegd 17 mei 2016. http://plato.stanford.edu/archives/win2015/entries/moral-epistemology/.

Pritchard, Duncan. 2014. What Is This Thing Called Knowledge? (3de ed.). Abingdon: Routledge.

Rachels, Stuart, and Rachels, James. 2015. The Elements of Moral Philosophy. Dubuque: McGraw-Hill Education.